dinsdag 1 oktober 2013

Sonnet I (Willem Kloos)

Ik denk altoos aan u, als aan die droomen,
Waarin, een ganschen, langen, zaalgen nacht,
Een nooit gezien gelaat ons tegenlacht,
Zóó onuitspreek'lijk lief, dat bij het doomen


Des bleeken uchtends, nog de tranen stroomen
Uit halfgelokene oogen, tot we ons zacht
En zwijgend heffen met de stille klacht,
Dat schoone droomen niet weerommekomen…

Want álles ligt in eeuw'gen slaap bevangen,
In de' eeuw'gen nacht, waarop geen morgen daagt-

En héel dit leven is een wond're, bange,
Ontzétbre dróom, dien eens de nacht weêr vaagt-

Maar ín dien droom een droom, vol licht en zangen,
Mijn droom, zoo zoet begroet, zoo zacht beklaagd…

                                          Willem Kloos

Toelichting: Dit was het openingsgedicht van de sonnettenreeks die Willem Kloos in 1885 publiceerde in het eerste nummer van De Nieuwe Gids. In 1894 zou hij dit gedicht ook gebruiken als openingsgedicht voor zijn debuutbundel Verzen.