Ik zat toen heel stil te werken,
de boeken waren als zerken
voor me, ik wist wel wat
elk graf in zich had.
Mijn lijf zat daar in een kamer,
boomtakken voor het raam er
heenkropen en weer vervelend,
met groene bladen al geelend.
Mijn oogen zagen verwonderd
naar 't buitenlicht maar zonder 't
zelf te weten wat of
hun licht oppervlak trof.
O mijn hart was toen zoo hongerig,
zoo angstig en zoo verlangerig,
zoo droog en het regende niet,
en elke dag ging te niet.
Ik zat in die lichte dagen -
mijn hart hield nooit op te jagen -
ik zat te zien en te werken,
alles was m' als doodzerken.
Herman Gorter (1864-1927)
Toelichting: Gorter publiceerde dit gedicht in 1890 in De Nieuwe Gids. In datzelfde jaar nam hij het ook op in zijn beroemde, sensitivistische bundel Verzen. 'Verleden' behoort tot de bekendste gedichten van Gorter. Het werd door Gerrit Komrij ook opgenomen in zijn befaamde bloemlezing 'De Nederlandse poëzie van de 19de en 20ste eeuw in 1000 en enige gedichten'.
Geen opmerkingen:
Nieuwe opmerkingen zijn niet toegestaan.